Op een mooie Pinksterdag. Dat is het zeker. Een stralende zon, iedereen heeft mooie kleren aan en een lieve lach. Warme begroetingen. Wat zien we elkaar toch weinig. Te weinig. 

Die morgen verzamel ik wat rozenblaadjes. Ook pak ik het bijzondere boek van Boudewijn Betzema. Ik weet niet wat ik er mee ga doen. Ik wil het aan onze Spaanse familie geven, maar vraag me af of het welkom is. Een boek is altijd welkom, bedenk ik me. In de auto zoek ik een gedicht dat past bij vandaag. En natuurlijk staat dat erin. 

Het boekje laat ik zien aan twee van de dochters. Ik geef het aan de oudste, open op de bladzijde met het gedicht. Het is voor allemaal, zeg ik erbij. Ze zijn er blij mee. Het verdriet krijgt langzaamaan een plekje, er is gelukkig zoveel om dankbaar voor te zijn. Er komt heel langzaam ruimte om weer op te bouwen. 

We drinken koffie en eten taart. We praten. En opeens is het tijd. We gaan op weg. Iedereen zoekt een plekje, we stappen bij elkaar in de auto’s. De oudste dochter komt op me af met het boekje. ‘Wil je het gedicht straks voorlezen?’  Natuurlijk wil ik dat. Het boekje is echt welkom.

Pas als we de drempel van de begraafplaats overstappen vallen we stil. Het is meer dan drie maanden terug, maar nu is het verdriet voor iedereen zeer tastbaar. 

Het was lief en mooi en veel te intiem om te delen. De woorden van Boudewijn Betzema vertellen precies genoeg.

9E3712F6-1CEA-4E93-8454-A6F6D1EE189E

Advertenties